Hadrianus Junius geeft in zijn Nomenclatur omnium rerum bij de Nederlandse namen van de zwaan ook die van ‘huyler’ op, en laat daarop volgen: ‘de querula voce; id est quem proprie olorem a Latinis dici puto’. ‘De wilde zwaan’, schrijft Schlegel, (Cycnus musicus et ferus), ‘uit het Noordelijk Europa tot ons overkomende, wordt in Groningen ‘hoelzwaan’ genoemd’. Ook de wilde duif werd, om haar weemoedig gekoer, oudtijds ‘hoelduif’ genoemd. Sloet {De dieren, enz.) tekent aan, dat de wilde zwaan in Friesland ‘kloekzwaan’ heet. Met dat al is de volksovertuiging omtrent de zangstem van de wilde zwaan tot hiertoe door de meeste ornithologen óf geheel verworpen, of zeer sterk in twijfel getrokken. Tot degenen die er min of meer wel in geloven, behoort o.a. dr. Masius {Zoölogie 1874, 670) die erover zegt: ‘Bleibt dies (de mythe van de zwanezang) eben auch nur Fabel, so fehlt ihr doch nicht ganz eine natürliche Anknüpfung. Denn während fast alle Schwimmer nur einen rauhen oder schrillen Schrei hervorzubrengen vermögen, ist dem Singschwan allerdings ein sehr sonorer, ebenso voller als weicher Ton verliehen. Auch nüchterne Beobachter haben ihn mit dem sanften Klange ferner Posaunen oder Glocken verglichen’. Overdrachtelijk verstaat men onder een ‘zwanezang’: laatste compositie of gedicht van een overleden toonkunstenaar of dichter, wellicht omdat men oudtijds een dichter ook wel een zwaan noemde. Zo wordt bijv. de Slag bij Nieuwpoort da Costa’s zwanezang genoemd