De bron van deze zegswijze is het quasi-fragment van ‘een onuitgegeven toneelspel', dat Multatuli tot inleiding van zijn Max Havelaar heeft geplaatst. De geschiedenis is de volgende: Lothario staat terecht, onder beschuldiging Barbertje te hebben vermoord, in stukjes gesneden en ingezouten te hebben. Tijdens het dispuut tussen hem en de rechter, waarin hij verklaart een goed mens te zijn, Barbertje niet te hebben vermoord doch, integendeel, haar te hebben gevoed en verzorgd, komt Barbertje zelf in de rechtszaal. De rechter kan nu niet volhouden dat zij vermoord, in plakjes gesneden en gepekeld is. Maar het derde punt der beschuldiging (‘ingenomenheid met zich zelf') blijft bestaan, en derhalve beveelt de rechter: ‘Gerechtsdienaar, voer die man weg, hij moet hangen. Hij is schuldig aan eigenwaan!’ Dus Lothario moet aan de galg. Maar telkens weer verneemt men, dat ‘Barbertje hangen moet’ - alsof zij de aangeklaagde ware. Hier is weer zo'n geval, waarin een volkomen op haar kop gezette geschiedenis tot zegswijze gemaakt wordt