Vechtsporten betekenis & definitie

De meeste sporten en spelen zijn ontstaan uit de universele behoefte aan vermaak. Vechtsporten vormen op deze regel een duidelijke uitzondering. Zij komen ook voort uit een universele behoefte, maar dan een hele andere: de drang om te overleven. In de strijd om het bestaan was het vroeger – toen laffe wapens nog niet bestonden – bittere noodzaak om zich te bekwamen in het gevecht van man tot man. Het bedenken en oefenen van gevechtstechnieken is dan ook al zo oud als de mensheid zelf. De term vechtsport is in zekere zin een ongelukkige, omdat deze agressie en geweld impliceert. Nu kun je moeilijk beweren dat, pak ‘em beet, kickboksen een vreedzame aangelegenheid is, maar daar gaat het niet om. Het punt is dat de meeste vechtsporten zelfverdediging en –beheersing als uitgangspunt hebben, met daaraan gekoppeld vaak een sierlijk element. De Engelse term, martial arts, komt alvast wat dichter in de buurt: (oosterse) vecht- en verdedigingskunsten.

Hoe het ook zij, een greep uit het zeer uitgebreide assortiment laat zien dat veel van deze kunsten mooie namen hebben, met boeiende etymologieën. Neem het Koreaanse taekwondo, dat letterlijk ‘voet’ (tae) ‘vuist’ (kwon) ‘weg’ (do) betekent. Deze ‘kunst van het voet- en vuistvechten’ – ouder dan onze jaartelling – wordt in de beide Korea’s zelfs als vak aangeboden op basis- en middelbare school. Dat is nog eens wat anders dan een Hollandse gymnastiekles.

Karate is een Japanse sport met slag-, trap- en bloktechnieken. De naam is een samenstelling van twee woorden: kara (leeg) en te (hand). De gevechtskunst van de lege hand dus, waarbij leeg synoniem is voor ‘ongewapend’. Zelfbeheersing is essentieel bij karate. Zo moeten tijdens wedstrijden de slagen, stoten en trappen richting tegenstander ongeveer één centimeter voor hun doel stoppen, om blessures te voorkomen. Dat deze sport niks te maken heeft met ordinair vechten, blijkt ook wel uit de spreuk karate ni sente nashi: karate kent geen eerste aanval. Oftewel, een karateka (ka is Japans voor ‘persoon’, ‘expert’, denk ook aan judoka) begint nooit met agressie.

Judo komt eveneens uit Japan. Bij deze sport gaat het om worpen en grepen; slaan en trappen zijn verboden. Judo – in 1882 ontwikkeld door Jigoro Kano, die zijn creatie vooral baseerde op de zelfverdedigingskunt jiu-jitsu – betekent letterlijk ‘zachte weg’. Zacht moet in dit verband worden opgevat als meegaand, in die zin dat je eerst moet meegaan met de kracht van de tegenstander om daar vervolgens gebruik van te maken.

Tot slot boksen. De kunst van het vuistvechten – met een mooi woord pugilistiek genoemd, van het Griekse pugmè: vuistgevecht – is al millennia oud. In de ruïnes van een circa 7000 jaar oude Soemerische tempel zijn voorstellingen gevonden van boksende mannen. De Grieken, die boksen rond 686 voor Christus opnamen in het programma van de oude Olympische Spelen, waren mogelijk de eersten die er een serieuze sport van maakten. Het moderne boksen ontwikkelde zich in de 17de eeuw in Engeland.

In etymologisch opzicht is boksen een moeilijk geval. Wij hebben het van het Engelse werkwoord to box, maar waar dat dan weer vandaan komt, is onduidelijk. Het Griekse pux (vuist) zou er iets mee te maken kunnen hebben. Zo niet, dan is de beste gok dat box (en dus boksen) een onomatopee is: een door klanknabootsing gevormd woord.

Zoals iedereen weet, vindt een bokswedstrijd plaats in een ring. Ooit bij stilgestaan waarom het een ring wordt genoemd? Een ring is immers rond, terwijl een boksring net zo rond is als een hoepel vierkant. De term is dan ook duidelijk geen verwijzing naar een bepaalde vorm. De ring bij boksen is afgeleid van het Engelse werkwoord to ring (bellen, de bel doen afgaan): precies wat er gedaan wordt voor elke ronde.