Sport betekenis & definitie

Sport is een buitengewoon moeilijk woord om te definiëren. Probeer zelf maar eens een omschrijving te vinden die de lading volledig dekt. Dat valt bepaald niet mee. Ter illustratie de definitie die Van Dale er op nahoudt: lichamelijke bezigheid met spel- en wedstrijdelement, beroepshalve of ter ontspanning bedreven. Betekent dit dat schaken en dammen – bij gebrek aan lichamelijke activiteit – buiten de boot vallen? En is knikkeren – toch algemeen als spelletje gezien – nu plotseling een sport? Het voert te ver om hier naar de perfecte definitie van sport te zoeken, of op het subtiele onderscheid tussen sport en spel in te gaan, maar u ziet het probleem.

De geschiedenis van het woord sport laat zich evenmin eenvoudig vertellen. Sport, in de huidige betekenis van ‘competitieve, lichamelijke activiteit’, kwam volgens sommige bronnen reeds aan het einde van de 16de eeuw voor in de Engelse taal. Andere bronnen spreken van halverwege 19de eeuw. Die laatste datering strookt in elk geval met het moment waarop het woord zijn intrede deed in het Nederlands.

Zeker is wel dat ‘sport’ een afgeleide en verkorting is van het Engelse disport. Dit betekent als zelfstandig naamwoord ‘vermaak’, ‘ontspanning’, als werkwoord ‘zich vermaken’. Het is een duidelijke verwijzing naar de tijd waarin er nog geen sprake was van georganiseerde, professionele wedstrijdsport en officiële spelregels. Ook toen hielden mensen er lichamelijke bezigheden in spelvorm op na, maar die dienden slechts ter vermaak en ontspanning. In die zin werden disport en zijn kortere broertje vroeger dan ook gebruikt. Het lijkt aannemelijk dat de betekenisverschuiving – van vermaak/ontspanning naar competitieve, lichamelijke activiteit – inderdaad halverwege de 19de eeuw heeft plaatsgevonden. Het was namelijk in die tijd dat de georganiseerde wedstrijdport in met name Engeland en Amerika op gang kwam.

De oorspronkelijke bron van disport, en dus sport, is het Latijnse dis(naar elders of naar verschillende kanten) + portare (brengen, overbrengen). Dit leidde tot disportus, disportatio (o.a. genoegen) en disportum (recreatie, recreatieruimte in een klooster). Van het oud-Franse desport werd uiteindelijk disport afgeleid. Heden en verleden komen mooi samen in het moderne Spaans. Daar spreekt men van deporte. Dit betekent niet alleen ‘sport’, maar ook ‘amusement’, ‘vermaak’.