Schwalbe betekenis & definitie

Het Nederlandse voetbaljargon zit vol met termen die oorspronkelijk uit andere talen komen. De Engelsen, die de sport uitvonden, zijn verreweg de grootste leveranciers: goal, penalty, corner, keeper, sliding, tackle, dribbel, pass, hands en ga zo maar door. Vergeet ook niet de F in de vele FC’s. Die staat voor football.

Aan de Italianen hebben we twee begrippen te danken: libero en catenaccio. Een libero (van het Latijnse liber: vrij) is wat wij in goed Nederlands dan ook ‘vrije verdediger’ noemen. Catenaccio (letterlijk: grote ketting) verwijst naar het extreem verdedigende voetbal dat Inter Milan in de jaren ’60 van de vorige eeuw speelde.

Dan Duitsland. Het inmiddels wat verouderde ausputzer (oorspronkelijk: persoon die iemand uitbuit) is eveneens synoniem voor vrije verdediger, of laatste man. In de uitdrukking zit ook putzen opgesloten: schoonmaken. De verdediger veegt met andere woorden het gebied voor de doelman schoon. Dat is althans de bedoeling. De jongste bijdrage aan onze voetbalwoordenschat is schwalbe: de theatrale val die een voetballer maakt om een strafschop te versieren. Behalve een Duits woord volgens velen ook een Duitse uitvinding.

Schwalbe betekent letterlijk ‘zwaluw’. Volgens sommigen werd de term ingevoerd omdat zwaluwen – net als voetballers die zich laten vallen – laag boven de grond vliegen. Maar laat dat nou net iets zijn wat die vogels nauwelijks doen. De duikeling van een onsportieve voetballer doet eerder denken aan de duikvluchtbewegingen, vleugelstand en sierlijkheid van de zwaluw.

Wanneer het begrip voor het eerst werd gebruikt, en door wie, is onbekend. Het zal vermoedelijk een aantal jaren voor 1983 zijn geweest, want toen werd de voetbaltoepassing van schwalbe opgenomen in een Duits woordenboek. Een jaar of tien later was de officiële betekenis bij onze oosterburen al iets verruimd: de schwalbe kon nu ook buiten het strafschopgebied worden toegepast, al leverde een succesvolle uitvoering dan ‘slechts’ een vrije trap op (of een gele kaart, als de scheidsrechter goed oplette).

In de loop van de jaren ’90 deed het woord zijn intrede in Nederland. Ook hier waren er natuurlijk vrijwillig vallende voetballers, maar die werden tot dan toe anders aangeduid. Commentatoren hadden het bijvoorbeeld over een ‘stervende zwaan’ of ‘de vallende ziekte’. Het geïmporteerde schwalbe maakte dergelijke omschrijvingen overbodig. Inmiddels is het begrip volledig ingeburgerd en sinds 1999 staat het ook in de Van Dale. Volgens dat woordenboek kan een schwalbe echter alleen binnen het strafschopgebied plaatsvinden. Waarmee Nederland en Duitsland formeel ieder hun eigen schwalbe hebben.

Voor de meeste geleende voetbaltermen hebben we in onze taal een passend alternatief gevonden. De corner is een hoekschop geworden, de penalty een strafschop, de keeper een doelman, etc. Schwalbe is in dit opzicht een lastige klant. Wellicht omdat het nog zo’n jong woord is, maar misschien ook omdat het gewoon zo lekker bekt. Er zijn wel een paar Nederlandse vertalingen bedacht, maar die hebben vooralsnog nauwelijks voet aan de grond gekregen. Een originele poging kwam in 1998 van scheidsrechter Ed van Leeuwen.

Hij vond schwalbe maar een lelijk woord en opperde daarom ‘valspel’: met daarin zowel het element van vallend toneelspel als vals spel. Niemand nam zijn knappe vinding over.

Een serieuzere kandidaat stond op 9 maart 2002 in NRC Handelsblad: fopduik. Een dag later gebruikte Evert ten Napel dit woord in Studio Sport tijdens zijn verslag van Ajax-De Graafschap, om een duikeling van Ajax-spits Nikos Machlas mee aan te duiden. Terug in de studio verkondigde Mart Smeets dat het Nederlands er een nieuw woord bij had. Even leek dit inderdaad het geval, want in de week daarop hadden alle kranten het over de fopduik. De rest van het jaar dook de term ook nog op (vooral tijdens het WK in Japan en Zuid-Korea), maar steeds minder. Anno 2004 lijkt de fopduik bijna uitgestorven. En misschien is dat maar goed ook: foppen is van oorsprong een Duits woord.