Lacrosse betekenis & definitie

Geen geschiedenis spreekt zo tot de verbeelding als die van lacrosse. Het verhaal van deze eigenaardige teamsport leest welhaast als een avonturenroman.

De voorloper van lacrosse werd al in de 15de eeuw beoefend door indianenstammen in de oostelijke helft van Noord-Amerika. Van het spel waren verschillende versies in omloop, maar het principe was overal hetzelfde: elke speler had een stok met aan het uiteinde een netje, waarmee een houten of leren bal kon worden opgeraapt, gegooid en gevangen. De opzet was om die bal in of tegen het doel van de tegenstander te krijgen.

Van selectieproblemen hadden de indianen destijds weinig last, want teams bestonden uit wel honderd tot duizend spelers. Vaak speelden hele dorpen of stammen tegen elkaar. De wedstrijden duurden twee of drie dagen, waarbij er werd gespeeld van zonsopgang tot zonsondergang. De doelen, meestal rotsen of bomen, stonden soms kilometers uit elkaar en van zij- en achterlijnen was geen sprake. Spelers konden dus alle kanten op zwerven en verdwenen zo geregeld uit zicht.

Behalve als tijdverdrijf werd het spel ook gezien als ideale vorm van militaire training. Soms werden er zelfs conflicten tussen stammen mee beslecht. De Cherokee indianen noemden het spel heel toepasselijk ‘het kleine broertje van oorlog’ en wedstrijden hadden dan ook bepaald geen zachtzinnig karakter. Ooggetuigeverslagen van Europese ontdekkingsreizigers en missionarissen beschrijven spelers met gebroken armen en benen, een enkele keer zelfs een dode. Soms ging er iemand knock-out na door een bal geraakt te zijn. Wie de bal te lang bij zich hield, kon rekenen op stokslagen.

En aangezien de meeste spelers zelden in de buurt van de bal kwamen, concentreerden zij zich vaak op het verwonden van de tegenstander. Wie door een blessure niet meer verder kon spelen, moest zelf zijn weg huiswaarts vinden of – als hij daartoe niet in staat was – hopen dat een ploeggenoot of familielid hem daarbij wilde helpen.

Eén van die Europeanen die in aanraking kwamen met dit inheemse spel was Jean de Brebeuf, een Franse Jezuïet. Hij maakte in een verslag uit 1636 melding van een spel dat gespeeld werd met stokken die leken op de staf van een bisschop (la crosse). Zo raakte het spel in Frankrijk bekend onder de naam jeu de la crosse, wat later werd afgekort tot lacrosse.

Inmiddels is lacrosse een geciviliseerde en georganiseerde sport, met een vast aantal spelers per team (10) en standaardafmetingen voor doel en speelveld. Dat is vooral te danken geweest aan de Canadezen, die halverwege 19de eeuw clubs oprichtten en officiële regels opstelden. Lacrosse, in 1904 en 1908 een olympische sport, is vooral populair in Amerika en de landen van het Gemenebest. In Canada is het zelfs de nationale volkssport. Ook in Nederland wordt lacrosse gespeeld, zij het op heel bescheiden schaal.