Sinterklaaslexicon

Sinterklaas van A tot Z door Marie-José Wouters

Gepubliceerd op 24-10-2019

Kleding van Sint-Nicolaas

betekenis & definitie

Sint-Nicolaas draagt als bisschop bisschoppelijke gewaden. Deze gaan terug op de kleding van de keizerlijke hofbeambten ten tijde van → keizer Constantijn. Toen bij het edict van Milaan het christendom staatsgodsdienst werd, werden de bisschoppen gelijkgesteld met de rijksgroten. Tijdens het concilie van Trente (1545-1563) schreef men op wat de bisschopsdracht behoort te zijn.

Deze is zo gebleven tot 1968.•Toga of toog: Kleed dat priesters dragen; bisschoppen dragen een purperen toog, priesters een zwarte, kardinalen een rode en de paus een witte. Oorspronkelijk stamt dit onderkleed van de Romeinen.
•Albe: Een witlinnen symbool van puurheid en eerlijkheid gewaad met smalle mouwen en afgezet met een brede kanten rand, dat tot de voeten reikt. De oorsprong van dit gewaad is te vinden in de lange tunica zoals die uit de Romeinse keizertijd bekend is. Sinterklaas draagt dit lange gewaad meestal niet.
•Superplie: De kortere vorm van de albe is vooral voor een bisschop die op een paard moet rijden, gemakkelijker.
•Cingulum of singel: Liturgische ceintuur, gewoonlijk van linnen, maar ook wel van wol of zijde. Met het cingulum wordt de albe omgord. Hij snoert de priester in, wat kuisheid en zelfbeheersing aangeeft.
•Borstkruis: Het kruis is het christelijke symbool van de gekruisigde Jezus. Omdat de bisschop Christus vertegenwoordigt, draagt hij ook een kruis.
•Tabberd of tunica: Eigenlijk een mantel zoals de Romeinen die tegen de kou droegen. Volgens de kerkelijke regels dragen alleen martelaren een rode mantel (andere heiligen dragen een witte). Mogelijk is hier een weer een vermenging met de rode mantel van Wodan opgetreden. In de liturgie is het kazuifel van de tabberd afgeleid.
•Koorkap: Afgeleid van pluviale of regenmantel. Het is een mantel die men over de schouders draagt. De koorkap is symbool voor de ‘mantel der liefde’ en staat ook voor onschuld en waardigheid. Vaak is hij van een rijk geborduurde rand voorzien die over de schouders naar voren loopt. De rand wordt ook pallium genoemd. Sint-Nicolaas draagt meestal een rode mantel; rood is de kleur van de liefde, maar gaat ook terug op het bloed waarmee de martelaren voor hun onverschrokkenheid betaalden. E. Verwijs suggereert dat het rood van de mantel ook kan teruggaan op Donar, die als god van donder en bliksem altijd met rood haar en baard en een vuurrode mantel werd voorgesteld.
•Koorkapschild of clipeus: Versiering op de rugzijde van de koorkap, overblijfsel van de oorspronkelijke capuchon.
Stola of stool: Lange bandstrook door de priester gekruist op de borst gedragen.

Als de bisschop een borstkruis draagt, zoals tijdens de liturgie, hoort de stola niet gekruist te zijn. De stola is een teken van priesterlijke waardigheid.

•Mijter: Een liturgische hoofdbedekking die tot de 12de eeuw alleen door de paus gedragen mocht worden. Vanaf die tijd droegen ook kardinalen en bisschoppen een mijter. De herkomst is niet bekend. Het is een stijf, in een spitse punt omhoog lopend hoofddeksel met aan de achterzijde banden die tot op de schouders vallen. Naargelang de ‘mode’ was deze mijter laag (middeleeuwen, neogotiek) of juist hoger (barok). Vaak is deze mijter van zijde, rijk geborduurd en versierd met gouddraad en soms zelfs met parels. De Egyptische farao’s en de priesters van de Mithras-dienst droegen ook zulke hoge hoeden. De mijter werd symbool van wijsheid.
•Kromstaf: Teken van waardigheid. Een abt draagt de krul van de kromstaf naar binnen gekeerd, een bisschop of kardinaal draagt de krul naar buiten. Hij is van de herdersstaf afkomstig en symboliseert de pastorale zorg. De staf wordt sinds de 17de eeuw gedragen.
•Handschoenen: Alleen de paus, kardinalen en bisschoppen mogen handschoenen tijdens de liturgie dragen. Ze worden na de wijding van de nieuwe bisschop direct na de mijter aan hem gegeven.
•Bisschopsring: Deze hoort aan de rechter gehandschoende ring- of middelvinger te worden gedragen. Hij symboliseert trouw aan de hem toevertrouwde kerk en het ongeschonden bewaren van het geloof.
•Baard en pruik: Deze horen niet bij de standaarduitrusting van een bisschop. De Germanen stelden de goden voor met veel wit haar en een lange baard. Dit verbeeldde ouderdom, rechtschapenheid en kracht.

Hulpsinterklazen.

Brinkhoff e.a., 1958; Verwijs, 1863.