zeiksnor betekenis & definitie

zeurderig persoon; iemand die voortdurend op de zenuwen werkt; vervelende figuur. Eigenlijk ‘iemand met een hangsnor’. Uit de jaren vijftig dateert ook de verwensing krijg een zeiksnor.

Er kwam een kolonel met een grote hangsnor en een stokkie. Meteen brullen over orde en tucht... Wat een ontvangst! Even later riep een van onze jongens: ‘Poppesnor.’ Een ander liet een harde scheet. Wij gierden het uit. En die zeiksnor riep maar: ‘Ik krijg jullie wel, smerig rapalje.’ (Haring Arie, Een leven aan de Amsterdamse zelfkant, 1968)

Ik ging mezelf soms ook ’n zeiksnor vinden. (Arie B. Hiddema, Kassa, 1971)

Okay zijksnor, als je rotzooi wilt, is het rotzooi. (Hans Plomp, Brigadier Snuf rookt stuff, 1972)