zebedeus betekenis & definitie

onnozel persoon; sukkel, sul. Vaak ook van toepassing op ‘een onnozele, onbenullige vrouw’; een trut. Men spreekt dan van een sibbedeetje. Ontleend aan een Bijbelse figuur uit het Nieuwe Testament: de vader van de apostelen Jacobus en Johannes. Het verband is niet duidelijk. Mogelijk omdat hij zijn zoons zonder meer met Jezus liet vertrekken. Bij Vondel komt Zebedeüs nog als spotnaam voor van een visser. Uit de Duitse studententaal komt ook de betekenis van ‘mannelijk lid’. In die zin meermaals in het werk van Rusting aangetroffen (Bijt hem de sebedeus af).

‘Bommm!’ De laatste klokketoon vliegt, als een vogel, den toren uit. ‘He, zebedeus daarboven,’ roept Dries. ‘Mijn liedje is gezongen! Wip af, we gaan wip-in spelen: de kookpot staat gereed en mijn gedarmte grolt om een zielemiske te mogen lezen!’ (Reimond Stijns en Isidoor Teirlinck, Arm Vlaanderen, 1884)

‘Jij bent dus Zebedeus,’ riep hij, ‘rooie kriel-aard-appel?’ (Jacobus van Looy, Jaap, 1923)

De agent was natuurlijk minder bruin geworden en bleek hem ook nog van vroeger te kennen, toen hij rakelings langs hem was gegaan, had hij gegroet: ‘Zóo, Zebedeus.’ (Jacobus van Looy, Jacob, 1930)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017