watje betekenis & definitie

(vnl. jeugdtaal) halve zachte; doetje; slappeling; iemand die nooit eens uit de band zal springen. Sedert het begin van de jaren tachtig. Soms wordt ter versterking nat toegevoegd: een nat watje (gesignaleerd door een onderwijzer uit Delft). In politiekringen heeft het woord de betekenis van ‘verdachte die vrij snel tot bekentenissen overgaat.’

Ach, die vogel is gewoon een watje. (Muziek Express, augustus 1987)

Theo geeft een schreeuw en ontwijkt hem rakelings. Verschrikt kijkt de jongen achterom. ‘Wat een watje,’ zegt Theo en zet de brommer af. (Gerrit Grobben, Wolfram, 1989)

De 17-jarige Ronald staat op zijn school bekend als een watje. (Popfoto, februari 1989)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017