Rat betekenis & definitie

totaal onbetrouwbaar, laaghartig persoon; parasiet; onderkruiper.

Nadat Ed van Thijn de gekozen burgemeester had tegengehouden in de Eerste Kamer, reageerde Laurens Jan Brinkhorst (van D66) met de woorden: ‘Eens een rat, altijd een rat.’

Ongewenste bezoekers van een discotheek, dancing e.d. worden door de portiers wel eens minachtend stapratten genoemd (Algemeen Dagblad, 04/11/2003).

Iemand die op kosten van anderen leeft, is een broodrat. In Vlaanderen wordt een ambtenaar soms uitgescholden voor bureelrat. Een hotelrat is iemand die op slinkse wijze (bijvoorbeeld met valse sleutels) inbreekt in hotelkamers. Zeelui noemen landbewoners vaak spottend landrotten. Een urinoirrat is een potenrammer die homo’s chanteert (Joustra citeert de Leeuwarder Courant van 1959) terwijl een woelrat een aanduiding is voor een homojongen (genoemd naar een personage uit de boeken van Gerard Reve). Zie verder nog: rioolrat. In het Frans heeft rat eerder de betekenis van ‘vrek, gierigaard’.

Die rat peesde ook nog op een kluifje van me. (Haring Arie, Tweede Boek, 1969)

... de laatste weken stond een foto-rat van Privé zijn woning in de Amsterdamse Beethovenstraat ‘af te leggen’. (Oor, 05/09/1987)

Ik schijt een grote hoop op dat zooitje grachtengordelratten. (HP/De Tijd, 04/11/2005)

rat: bruine rat

(racistisch) kleurling. Zie ook blauwe.

Tot die tijd was racisme voor mij iets van horen zeggen. Die woorden ‘kutneger’, ‘bruine rat’ en ‘schapeneuker’ beschouw ik als uiterst beledigend. (Theo van Gogh, Er gebeurt nooit iets, 1993)

Laatst bijgewerkt 06-06-2017