Pot betekenis & definitie

lesbische vrouw. Verkorting van de Bargoense term lollepot, oorspronkelijk ‘vuurpot’ en met gedachte aan lollen: ‘bij de haard of boven een stoof zich warmen’ (Kiliaen). Bij de lollepot zitten: oudewijvenpraatjes houden (De Beer & Laurillard). Sinds de jaren zeventig wordt pot ook gebruikt als geuzennaam voor militante feministen.

Bij de Koninklijke Marechaussee is pottendag (ook wel: tietendag) de studiedag voor vrouwen (bron: Opzij, januari 1995). depotterijof potterie is de aanduiding voor de verzamelde potten. Potteus staat voor lesbisch. Een pottenkot is een smalende benaming voor een dameskroeg.

Claudia, een Surinaamse pot... (Jan Cremer, Ik Jan Cremer. Tweede Boek, 1966)

De dame in kwestie was zo ruig als een kokosmat en heeft zoals ze dat in Amsterdam noemen, ‘het’ uitgevonden. In de volkstaal draagt zo’n dame als bijtitel: ‘een pot’. (Harry Boting, Nog meer jatmous, 1967)

Potten! Vieze vuile potten! Ce sont lesbiennes! (Harry Mulisch, Twee vrouwen, 1975)

Laatst bijgewerkt 06-06-2017