Oen betekenis & definitie

(vnl. jeugdtaal) onbeduidend sujet; stuk onbenul; stommerd. Etymologie onduidelijk. Het WNT geeft al een vindplaats uit 1631. Een afleiding is: oenig (onbenullig, waardeloos). Bijvoorbeeld bij Remco Campert (Tjeempie! of Liesje in luiletterland, 1968): ‘Wat een uil ben ik toch! Oehoe, wat oenig van me!’, en bij Marga Minco (De andere kant, 1962, tweede druk): ‘Die oenige gordijnen, en dat tafeltje, ontzettend’. Ook oeneballerig en oeneballerigheid werden opgetekend.

Oen wordt ook opgenomen door Salleveldt (1978). Ook Wolkers gebruikte het in ‘De Walgvogel’, hetgeen erop wijst dat dit woord vooral in de soldatentaal erg populair was. Zie ook: oekeloen] oenkoekel.

Oenen en debielen in blauwe bleekgesleten misdaadkleding met grote waterhoofden en waterige puilogen die met dierlijke kreten de wedstrijd volgden. (Jan Wolkers, De Walgvogel, 1974)

Nee, als het om Hermans gaat, dan wordt er door de redaktie van de VARA-gids ‘het een of ander oen’ ingehuurd, dat mag komen uitleggen dat Hermans rechts is en dat Hermans daarom geen televisiespelen kan schrijven.

Bob Kaindl heet ‘dat oen’ en razend is hij. (Het Parool, 01/02/1975)

Nou ging die sufferd, die oen, zichzelf aangeven bij de vreemdelingenpolitie! (Marjan Berk, Rook in de ribben, 1987)

Laatst bijgewerkt 06-06-2017