Oekeloen, okkeloen betekenis & definitie

domkop, sufferd. Vermeld door Endt (1974). Heestermans (1989) geeft ‘etymologie onbekend’.

Het WNT acht een relatie met de Friese mansnaam Oene, ‘gezien de overheersend “Hollandse” bewijsplaatsen, niet waarschijnlijk’. De taalkundige Adriaan Beets (zoon van Nicolaas, de auteur) heeft tussen 1890 en 1930 een aantal Leidse woorden verzameld in een sigarenkistje. In deze verzameling vinden we okkeloen terug in de betekenis van ‘grote neus’. Refereert het scheldwoord hieraan of is het woord gewoon een rijmende uitbreiding van oenl Op het internet vinden we dan weer uitdrukkingen zoals zo scheel als een okkeloen, wat het raadsel alleen maar groter maakt.

En toevallig verkeer ik in de positie dat zo’n besodemieterde okkeloen als ik zijn standpunt op geen enkele wijze kracht kan geven. (Rinus Ferdinandusse, De zoon van ouwe klare, 1969)

... zachtjes knetterende bataafse oekeloen Brouwers. (A. Moonen, Omgelegde dagen, 1984)

Nou nou, die joris is wel een okkeloen geworden, generaaltje. (Heere Heeresma, Eén robuuste buste)

Laatst bijgewerkt 06-06-2017