NSB'er betekenis & definitie

1) landverrader; verklikker. Eigenlijk: een lid van de Nationaal-Socialistische Beweging, een in 1931 (door Anton Mussert) opgerichte fascistoïde partij die tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerde met de Duitsers maar daarvoor niet beloond werd met regeringsdeelname.

Hun ‘Program’ was bijna letterlijk overgenomen van Hitlers NSDAP, alleen het antisemitisme en de rassenleer ontbraken. Belangrijke punten waren evenwel: een sterke regering, afschaffing van het individualistische kiesrecht en beperking van de drukpersvrijheid. NSB’ers waren ook hypocriet: het partijspeldje droegen ze aan de binnenkant van hun revers zodat alleen geestverwanten het konden zien. Bovendien waren ze ook laf (bij het minste gevaar gingen ze ervandoor). Als scheldwoord is NSB’er dan ook een graad erger dan fascist. In 1944 deed het volgende grapje de ronde: ‘het toppunt van optimisme: een NSB’er die voor z’n oude dag spaart’. Schooljongens gebruikten voor de NSB de scheldnaam zwarte vlektyfus. Slechte aardappelen (zwart van buiten, rot van binnen) die vooral in de zomer van 1941, maar ook later nog werden gedistribueerd, noemde men schertsend NSB’ers (een zinspeling op de zwarte hemden van hun uniform).

De historische betekenis van NSB'er heeft ondertussen allang plaatsgemaakt voor de overdrachtelijke. Tegenwoordig heeft het woord (in linkse kringen) de meer algemene betekenis van ‘rechtse autoritaire klootzak’. Stelletje NSB’ers! Landverraders! Hoe durven jullie dit te zeggen. Vijf maanden geleden stemden jullie allemaal maar al te graag op

de LPF. En nu kankeren jullie, (de Volkskrant, 17/10/2002)

Ik heb nooit beweerd dat Hoogendijk een NSB’er is. Nooit. (Winny de Jong in HP/De Tijd, 11/07/2003)

In het tv-programma ‘Hoezo Jihad?’, vorige week, schold een Marokkaanse wethouder Ahmed Aboutaleb uit voor NSB’er. (HP/De Tijd, 10/12/2004)

2) (vnl. onder voetbalsupporters) klootzak; rotzak. Ook voor gezagdragers zoals politieagenten.

Krijgtie de pleuris met z’n rijbewijs. America, land of the free... Stelletje boeren! NSB’ers! (J.A. Deelder, Drukke dagen, 1988)

‘Sukkel’ moet een politieman slikken. Maar scheldwoorden als kankersiet, nazi, SS’er, fascist en NSB’er kunnen een bon opleveren. Het Amsterdamse korps is in Nederland koploper in het verbaliseren voor het beledigen van agenten. (Het Parool, 14/05/1999)