Mannetjesputter betekenis & definitie

(Bargoens) gespierde man of vrouw; soms ook voor een ongevoelig mens. Volgens Van Dale: sedert 1901-1925 (in citaten hierna weerlegd): vermoedelijk betekent putter hier ‘iem. die flink kan borrelen’ (van putten) en is mannetjes toegevoegd als versterking.

Aan het begin zong J.H. Speenhoff: ‘Daar komen de schutters, zij loopen zich lam, de mannetjesputters van Rotterdam’. Vgl. ribbemoos.

Het is een rechte Trijn van Limpen, een Kenau, een mannetjesputter; aldus naar Catharina, vrouw van Jan Jakobsz. van Leemput. (Harrebomée, 1861)

Koo ‘de kok’ was een stevig gebouwd man; zooals zijn klanten het noemden: een ribbemoos, ’n mannetjesputter, die vermogens in z’n hande had, en waarlijk, hij zag er uit alsof het niet geraden was om ruzie met hem te zoeken. (Justus van Maurik, Amsterdam bij dag en nacht, 1889)

Mannetjesputters, tierend en joelend, al maar op de straatsteenen slaand met hun ‘koezen’. (J. van derVen, Neerlands-Volksleven, 1920)

Laatst bijgewerkt 06-06-2017