Maaslikker betekenis & definitie

verbastering van aarslikker. Beem (1974) vermeldt maars als Nederlands woord afgeleid van het Jiddisch ('maarsch), zelf afkomstig van het Hoogduitse imArsch. Het scheldwoord (niet opgenomen door Beem) is wellicht een woordspeling met Maarssen in Utrecht en m’n aars (m’n kont). Er bestaat ook een verwensing kan me de maas (of maars) likken.

Hij sarde, treiterde, slijmde tegen ons, matrozen. Een bruinwerker en een maaslikker bij de kapitein. (Jan Cremer, Ik Jan Cremer, 1964)

‘Maaslikkers, vuile sletten, hoeren!’ scholden ze tegen de groep krijgsgevangen vrouwen die voorbijliep. (Jan Cremer, Wolf. Het autobiografische verhaal uit De Hunnen, 1993)

Laatst bijgewerkt 06-06-2017