Lollepot betekenis & definitie

(Bargoens, verouderd) lesbische vrouw. Reeds bij Henke. Van lollen: bij de haard of boven een stoof zich warmen (Kiliaen).

In de zeventiende en achttiende eeuw was een lollepot een stenen pot met een gatendeksel, waarin vuur werd gedaan ter verwarming. Oorspronkelijk werd gedacht aan het onderlijf warmen onder de rok boven een dergelijke pot. Lollypop was (in de jaren vijftig) een vriendelijke verbastering van lollepot. Een minder bekende betekenis van lollepot is ‘zeurkous’. Hierbij wordt de associatie gelegd met het werkwoord lollen (zeuren, zaniken, maar ook: krollen, en dat betekent ‘geil zijn’). Iemand die de ganse dag zingt of neuriet wordt eveneens een lollepot genoemd. Deze laatste betekenis o.a. bij Boekenoogen.

Dan roste ik met m’n bootshaak die bleke lollepotten van mijn lijf (Jan Mens, Goud onder golven, 1949)

‘Klootzak,’ riep Jan, ‘wist je dan niet dat dat wijf lollig is?’ Verbaasd zei ik nog met me klotekop: ‘Is ze dan een lolliepop?’ (Haring Arie, Recht voor z’n raap, 1972)

Beter een lollepot als van onderen gesloten. (T. Bosch, Bet van Beeren. Koningin van de Zeedijk, 1977)

Laatst bijgewerkt 06-06-2017