Lamgat, lamlul, lamoor, lamstraal, lamzak betekenis & definitie

slappeling, iemand zonder wilskracht. Zie Stoett (onder ‘belazerd’). Lamstraal kan volgens De Vooys met bijgedachte aan lammeling ontstaan zijn uit donderstraal.

Stoett citeert nog ‘Proletariërs’ van J. Steynen (ongedateerd): ‘Ik was ’n lamstraal, ’n schijthuis.’ Lamoor komt voor bij W. Bodrij (Volksleven in de Leidse Paradijssteeg voor vijftig jaar. In: Neerlands Volksleven, 1962).

Hou je poote thuis, lamstraal... Verrek nou. (Herman Heijermans, Schetsen van Samuel Falkland, 1896)

Mal mens! Toe? Tantetje-üef! Lamzak! Draak! Stuk chagrijn! (Herman Heijermans, Op hoop van zegen, 1900)

Later zei hij tegen me dat hij me dat het meest kwalijk had genomen, dat ik hem ertoe had gebracht om de naam van de Allerhoogste ijdellijk te gebruiken. De lamlul. (Jan Wolkers, De walgvogel, 1974)

Laatst bijgewerkt 06-06-2017