kaassnijer betekenis & definitie

(soldatentaal, verouderd en meer een spotnaam) kleinburgerlijke dandy. Opgetekend in de periode 1860-1885 (o.a. bij De Beer & Laurillard) maar vermoedelijk al eerder gebruikelijk. Kaas was vroeger het voedsel voor meer gegoede mensen, de armen konden het niet eten. Kaas werd dan ok geassocieerd met een zekere welstand. Overdrachtelijk werd het ook toegepast op kleding. Een kaassnijer is dus een pronker met kleren, een fat. Misschien wordt met deze term ook gezinspeeld op het slangwoord geuren (pronken).

Dieë kèèssnijer staat altijd in ’t krijt bij zijne’ kleermaker; hij hee’ geene’ nagel om ze’ gat te krabben. (Cornelissen en Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch Dialect, 1899-1906)