janhagel betekenis & definitie

(zeemanstaal) tandkazen maar ook het gemene (scheeps)volk; het gepeupel. Het WNT geeft al een vindplaats uit 1634: ‘Jan Haghel gaet aen ’t eten: het matrozenvolk gaat eten.’ Rond 1650 werd de uitdrukking ook in niet-collectieve zin gebruikt voor een gewone man uit het volk. De Nederlandse dichter Constantijn Huygens (1596-1687) gebruikte deze zegswijze rond 1672 als verzamelnaam. In de zeventiende eeuw verstond men onder Jan Hagel ook de matrozen. Ook het Nieuwhoogduits kent het in deze betekenis al sinds ca. 1687, met de nevenvorm Hans Hagel. De uitdrukking is wellicht terug te voeren op de zeventiende- eeuwse vloek de hagel sla hem, waarbij in een later stadium met hagel een persoon werd aangeduid. Geüniformeerde NSB’ers of landwachters werden tijdens de Tweede Wereldoorlog ook janhagel genoemd. In negentiende-eeuwse politieke kringen gebruikte men de aanduiding Schralenjanhagel als woordspeling op ’s-Gravenhage in combinatie met Staten-Generaal.

Hij is er trots op dat zijn zoon een van het Jan Hagel, een landverrader, tegen de vlakte heeft geslagen. (K. Norel, Engelandvaarders, 1972) Hij noemde zich inmiddels De Heerser en in een openingstekst voor een van mijn tentoonstellingen in 1960 waarschuwde hij alvast dat er een tijdperk zou aanbreken ‘waarin woorden als verdraagzaam, humaan, ideaal en kunst daverende lachsalvo’s bij de Heerser en de Barbaar, zelfs bij het Janhagel zullen teweegbrengen.’ (Jan Cremer, Logboek, 1978)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017