Jan Rap en zijn maat betekenis & definitie

gespuis, canaille, achterbuurtvolk. Destijds sprak men ook van Hak en zijn gemak; tegenwoordig hebben we het over aso’s. Oorspronkelijk in de zeventiende eeuw een aanduiding van het lagere scheepsvolk. Bredero gebruikte de uitdrukking al in zijn ‘Klucht van een huysman en een barbier’. P.A. De Genestet gebruikte ze in de zin van: iemand die al te snel nieuwe wetenschappelijke inzichten omarmt ten koste van religieuze opvattingen. Verschillende verklaringen omtrent de herkomst werden gesuggereerd. Het zou om een verbastering gaan van Daniël Raap, die in de vroege achttiende eeuw aan het hoofd stond van de doelisten, een destijds in de Amsterdamse Kloveniersdoelen vergaderende partij. Uit het bovenstaande blijkt echter al dat oudere vindplaatsen dit tegenspreken. Anderen menen dat het komt van ‘rapen, oprapen’, of dat het een verkorting zou zijn van rapaille. Bepaalde lexicografen brengen de uitdrukking in verband met het Middelnederlandse woord rap, ‘schurft’ (deze betekenis komt overigens nog in Vlaanderen voor). Ter Laan wijst op een verwante Groningse uitdrukking ‘rap en roet’, hetgeen letterlijk ‘allerlei onkruid’ betekent en figuurlijk gebruikt wordt voor ‘het allerminste volk’ Het WNT geeft als variant nog Jak en Jooi. De herkomst is dus lang niet duidelijk. De uitdrukking is nog steeds erg populair. Yvonne Keuls schreef in 1977 het boek ‘Jan Rap en zijn maat’, later bewerkt tot een toneel- en hoorspel en verfilmd. In het politieke milieu van de jaren tachtig werd Jan Rap en zijn maat eveneens gebruikt als bijnaam van premier Lubbers en zijn secondant Gerard van der Wulp (Haagse Post, 12/12/1987). De CD en haar omstreden voorman Janmaat werden ooit in de pers spottend Janmaat en zijn Rap gedoopt.

Wilde men lachen, dan naar de kleine burgerij, naar Jan Rap en zijn maat. (G. Kalff, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde, 1910)

Diamantslijpers, toneel- en draaiorgelspelers, huisjesmelkers en duivenmelkers, Jan Rap, maar ook zijn beter gesitueerde maat. (Piet Bakker, Jeugd in de Pijp, 1946)

Jij denkt, die boerenlul betaalt wel. En als hij pleiten is, dan voos ik met jan rap en zijn maat. (Harry Boting, Wie geeft me jatmous? 1965)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017