hangjas betekenis & definitie

(vnl. jeugdtaal) iemand die een beetje uit de toon valt; niet al te snugger persoon; iemand die ergens rondhangt zonder veel te doen; nietsnut.

Af en toe wierp hij een venijnige blik in de richting van de namaak-Wyngarde, die moedeloos voor zich uitstaarde. ‘Zeg jij dan ook eens wat, hangjas,’ snauwde hij. (Nieuwe Revu, 29/11/1990)

Hoe ziet een Amstel-café er uit, wie zitten er? Zijn het ‘hangjassen’ of vlotte mensen zoals jij en ik, gewoon, maar toch leuk. (de Volkskrant, 23/01/1991)

Ik spijbelde veel, hing in de kroeg of de coffeeshop en maakte lol. Ik was gewoon een hangjas. (Trouw, 11/03/2000)