halve zool betekenis & definitie

halve gare; sufferd; klootzak. Van oorsprong een Engels woord. Aan de wieg stond de Engelse slangterm asshole (sufferd). Rotterdamse bootwerkers vervormden dit tot zool. Later werd halve ter versterking toegevoegd. De Rotterdamse volksschrijver Willem van Iependaal gebruikte het woord meermaals. Zijn latere stadsgenoot Jules Deelder gebruikte het scheldwoord in een interview met De Tijd uit 1962 (zie De Mensch Deelder, p. 130). Niettemin werd het voor het eerst aangetroffen in een roman over Amsterdam. Pas in de jaren negentig kreeg het invectief ruimere bekendheid en blijkt het vooral in de jeugdtaal erg populair.

Sau,... ik sèl jou leire doen wèt ‘n net mins je froagt... schuyne schutter, robbeklopper, ... en nou mèg jèi schokke ... Halfe Saul! Bram Halve Zool dokte. (Israël Querido, De Jordaan, 1912)

‘Halve zool!’ bloosde Arentje. (Willem van Iependaal, Adam in ongenade, 1938)

Téllen, daaro moet je wezen, halve zool! (J.A. Deelder, Bep van Klaveren. The Dutch Windmill, 1980)