haantjepik betekenis & definitie

iemand die steeds de baas wil spelen, die hanig gedrag vertoont; ruziezoeker. Haantjepik is eigenlijk kindertaal voor een haan. In de volksmond ook een naam voor de duivel. In Vlaanderen wordt het woord ook gebruikt voor iemand die altijd een snedig antwoord klaar heeft wanneer men hem of haar iets zegt.

Ik ben Haantje Pik, Napoleonkijntje, Fuselier van compietje twee, Oppasser van mijn kapiteintje, Vrij van wacht en plaats-corvee. (Jac. van Looy, Feesten, 1893)

Nu wordt ’t ’n mooie boel, die leelijke rooie Haantjepik van twee hoog boven gooit roet in ons eten. (De Telegraaf, 29/11/1914)