gattes, chattes betekenis & definitie

(Amsterdam, Bargoens) schooier; snoever zonder bestaansmiddelen. Van origine Hebreeuws (chatat: zonde, zondoffer). Meervoud: geteisem. Met de uitdrukking gattes, dalfen & co duidde men begin twintigste eeuw een arm zootje aan. Vermeld door De Beer & Laurillard.

As die gattes, die verrekkeling van ’n Davy uit de zocieteit komp verzuip ’k ’m, (Herman Heyermans, Diamantstad, 1903)