gasser, gazzer, gazzeroor, gazzerte (1) betekenis & definitie

(Bargoens) onzindelijk persoon; slecht mens; knoeier. Bij Henke betekent het ‘zwerver’. Afgeleid van het Jiddische chazzer (varken; varkensspek; spek). Gazzeroor betekent letterlijk ‘varkenshaar’. Chazzeren betekent ‘morsen, een smeerboel maken’.

... gassers, miesgassers, patsers en gannefs. (Justus van Maurik, Toen ik nog jong was, 1901)

Hardstikke dood schiet ik ze, de gazzers. (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)

‘Mijn vader was een gazzeroor!’ riep ze, ineens nijdig. ‘Een gore viezerik!’ (H.P. de Boer, Heks, ik hou van jou, 1996)