gajes betekenis & definitie

(Bargoens) politieagenten; meer algemeen: volk, mensen, maar vooral: slecht volk, gespuis. Tijdens de bezettingstijd in Nederland circuleerde een rijmpje m.b.t. de ingezetenen van de strafgevangenis in Scheveningen (destijds het Oranjehotel genoemd, omdat er veel verzetsstrijders gevangen zaten). Dit rijmpje ging als volgt: In deze bajes, zit geen gajes, maar Hollands Glorie, potverdorie.’ Het woord is ontleend aan het Hebreeuws-Jiddisch (gajis; oorspronkelijk: legioen, legereenheid) en sloeg aanvankelijk op niet-Joden. In de Duitse dieventaal, het Rotwelsch, komt eveneens de vorm Gais (mensen) voor. Het Bargoens kent veel combinaties, zoals gebeft gajes (advocaten); dof gajes en glimmend gajes.

Wat wij voor stukken gajes waren, begrijp je zelf wel, hé? (Het Volk, 12/01/1920)

Dacht u dat het gajes daarop wou dansen? (De Groene Amsterdammer, 10/09/1932)

D’r loopt tegenwoordig een hoop gajes rond in Amsterdam, dat voor mij zo de gracht in kan. (Dimitri Frenkel Frank, De kleinste hond ter wereld, 1980)