fielt betekenis & definitie

doortrapte schurk; gewetenloos iemand; bedrieger. In zijn boek ‘Er gebeurt nooit iets’ (1993) noemde Theo van Gogh Max Pam een fielt eerste klasse. Aan de KMA te Breda werd dit woord gebruikt in de zin van ‘onderofficier belast met de surveillance’. In de soldatentaal werd deze term opgetekend in de periode 1860-1885. In de betekenis van ‘schurk’ dateert/?e/f reeds van het midden van de zestiende eeuw. We vinden het ook terug in het werk van o.a. Bredero. Het woord komt (zonder t) voor in de erotische lyriek van de zeventiende-eeuwse dichter Jan Luyken. In zijn ‘Duytse Lier’ (1671) noemt iemand aan wie zijn bruid ‘ontkaapt’ is de boosaardige dader een hel. Het Middelnederlandse hel gaat via het Franse vil (gemeen) terug op het Latijnse vilis (goedkoop, armzalig). Vroeger kwam enkel de spelling hel voor. Pas in later tijd kreeg het woord een t, zoals ook ‘burcht’ (dat oorspronkelijk ‘burg’ geschreven werd). In ‘Mieke Maaike’s obscene jeugd’ (1972) van Louis Paul Boon komt de woordspeling homohelt voor.

Hoe zal het mogelyk wezen te beletten, dat de grootste fielt den deugdryksten Minister met de zwartste kleuren afschildert? (J. van Effen, De Hollandsche Spectator, 1731-1735)

God zou ’em dit en de duivel zou ’em dat, en hij was de grootste fielt en bloedlijer, die de wereld ooit aanschouwd had. (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)

Die fielt! Als ik hem hier had, liet ik hem in de boeien sluiten. (J. Slauerhoff, De laatste reis van de Nijborg, 1930)

Ensiegebruikers willen de geschiedenisprijs winnen! Stem ook mee in slechts 3 seconden.Stem nu op Ensie | Encyclopedie sinds 1946