fat betekenis & definitie

iemand die overdreven zorg aan zijn uiterlijk besteedt; ijdel en pedant persoon; modegek. Deze van oorsprong Franse term dateert uit de zeventiende eeuw. Afgeleid van het Latijnse woord fatuus.

Ik geloof, dat ik nog kans heb gezien om te zeggen, dat hij naar de maan kon loopen met zijn bevelen en dat ik dat fatje zijn gezicht tot pulp zou slaan. (Het Vaderland, 07/12/1939)

De fat noemden we ’m, hij was altijd zo netjes op z’n kleren, je kreeg wel ’s de zenuwen als je ’m zo bezig zag. (Adriaan Venema, Jongensdroom, 1978)

Ensiegebruikers willen de geschiedenisprijs winnen! Stem ook mee in slechts 3 seconden.Stem nu op Ensie | Encyclopedie sinds 1946