emmer (1) betekenis & definitie

(Amsterdam, Bargoens) minderwaardig of vies persoon, inzonderheid een hoer (omdat iedereen erop gaat. Om dezelfde reden gebruikt men ook het scheldwoord schijthuis en Haagse plee). Reeds bij Henke en Beem (1967). Emmeren is niet alleen informeel taalgebruik voor ‘zeuren’, in het Bargoens betekent het ook ‘geslachtsgemeenschap hebben’ (oorspronkelijk: sodomie plegen met merries).