eikel betekenis & definitie

(vnl. jeugdtaal) dom persoon; sufferd, zak. Sedert de jaren zestig. Voor het eerst gesignaleerd door Broersma. Soms versterkt tot kanker-eikel, vette eikel of giga-eikel (populair in studentenkringen). In de Wageningse studententaal wordt een hopeloos vrolijk iemand wel eens een blije eikel genoemd. Het werkwoord eikelen betekent ‘zeuren’. Eikeltje is ook marinetaal voor maat (zie Harmsen). De vrouwelijke variant van de eikel (althans in de jeugdtaal) is de eikelien.

Er stopte ’n kleine MG met twee Engelsen (altijd die ongezond uitziende eikels) naast ons. (Jan Cremer, Ik Jan Cremer, 1964)

Pas maar goed op dan, want er lopen heel wat rare eikels rond in de wereld. (Remco Campert, Tjeempie of Liesje in Luiletterland, 1968)

Al die beateikels in den lande die zo interessant over drugs doen, ik vind het maar aanstellers. (Peter Koelewijn in Teenbeat, november 1969)