del betekenis & definitie

ordinaire, slechte of slonzige vrouw, slet.

In het Middelnederlands had het woord al de betekenis ‘hoer’. Tegenwoordig vooral populair in jeugdtaal Verouderd of minder frequent voorkomend is smeerdel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog noemde men een meisje dat na de bevijding een relatie aanging met een Canadese soldaat smalend een canadel. Het woord is een samentrekking van het woord Canadees met het scheldwoord del. In het wielermilieu worden ‘groupies’ (meisjes die de renners adoreren en hen overal volgen) voor dérailleurdellen uitgescholden. In het homojargon bestaat er een werkwoord dellen: nichterig gedrag tentoonspreiden. Zie ook nog cittadel.

Wat die d’r man had uitgevoerd met die flodder van twee-hoog achter, dat gemeene del, dat altijd in d’r borstrok liep!... hoe dat wijf van driehoog d’r kind rammelde... (Frans Coenen, Zondagsrust, 1902)

Zij, de Zeedijk- en andere dellen daarentegen waren alleen afgericht op ’t doen van een ‘jovene slag’. (Israël Querido, De Jordaan, 1914)

Op de tv danste bij dat lied een achtentwintigjarige del van een uitzendbureau de horlepiep. (Gerrit Komrij, Horen, zien en zwijgen, 1977)