debiel betekenis & definitie

iemand met een laag IQ; achterlijk persoon; stommeling; sufferd. In de jeugdtaal van de jaren negentig vaak afgekort tot debie of biel. In turbotaal ook wel: debillo (zie Hoppenbrouwers).

Wat, denkt hij, ze ziet er uit als een debiel (de droom wordt niet uitverteld, Reineke komt binnen wij wachtten op haar, waren teruggescooterd uit Haarlem, een krankzinnige ervaring). (Simon Vinkenoog, Liefde. Zeventig dagen op ooghoogte, 1965)

Jij lelijke stinkende neurotische debiel! (Herman Brusselmans, Guggenheimer wast witter, 2000)