christenhond betekenis & definitie

(soms voorafgegaan door schurftige) minachtende benaming voor een christen. Dit scheldwoord heeft de afgelopen jaren voor heel wat beroering gezorgd. Zo werd Parool-columnist Theodor Holman in 1995 net niet veroordeeld voor zijn uitspraak dat ‘iedere christenhond een misdadiger is.’

En in ‘Het ironische van de ironie’ noemde Harry Mulisch zijn collega Gerard Reve een christenhond. Het Meldpunt Discriminatie Amsterdam vroeg in 2000 het openbaar ministerie om een de Volkskrant-column van Jan Blokker te bekijken op beledigende teksten. Eerder had het meldpunt een klacht ontvangen over de columnist. Die had geschreven dat Aad van den Heuvel ‘hetzelfde type christenhondenhoofd’ had als Aart Zeeman. De klager vond die zinsnede beledigend voor alle christenen.

In 1998 beklaagde hij zich al over uitlatingen van Paul de Leeuw, die ook het woord christenhond gebruikte. De Leeuw bood toen zijn excuses aan en nodigde de klager uit in zijn uitzending. Oorspronkelijk is dit scheldwoord de naam die door de mohammedanen aan de christenen werd gegeven. Het gaat om een leenvertaling uit het Turks. In de islamitische leer is de hond zo onrein als het varken. Subtiel kwetsen kan ook. De in 2004 vermoorde cineast en columnist Theo van Gogh liet zich ooit door een allochtone tv-zender interviewen met zijn hond op zijn buik. Wat op het eerste gezicht onschuldig leek, was bedoeld als een provocatie.

Een niet-Mohammedaan of christenhond wordt door de Turken een giaur genoemd. Het woord komt van de Perzen, die een aanhanger van Zoroaster, een vuuraanbidder, een gow noemden. Samenstellingen met hond slaan doorgaans op slechte mannen, zie bijvoorbeeld bloedhond en helhond. Vgl. de Franse argotterm halouf (van het Arabische woord voor varken), dat in dezelfde zin wordt gebruikt.

‘Koppige christenhond,’ riep nu de Moor, ‘weet gij dan niet, dat ik uw heele schip met lading en al nemen, en jou en je volk als slaven verkoopen kan, als gij mij blijft weigeren dat laken voor den prijs, dien ik u bied af te staan?’ (Pieter Louwerse, Vlissinger Michiel, 1880)

Hond als scheldwoord en belediging. Zoals Christenhond bijvoorbeeld. (Vincent Mahieu, Tjies, 1958)

‘Gore christenhond,’ zei Phileine toen ze dit hoorde. (Ronald Giphart, Ik omhels je met duizend armen, 2000)