boerentrien betekenis & definitie

lompe, ongemanierde vrouw.

Uwe queue is van onschatbare waarde om te doen uitkomen, dat gij geen boeretrien zijt, doch een jongedame van goeden huize. (Cornelis Veth, Het geheim van den Idioot, 1915)

Stop die boerentrienen maar met jong, dat houdt de bevolking op peil. (Louis Ferron, De keisnijder van Fichtenwald, 1976)