blauwe betekenis & definitie

Indo(-Europeaan); iemand van Indonesische afkomst. Destijds in Ned.-Indië meestal door volbloed Hollanders of totoks gebruikt. Soms ook binnen de indo-groep om een indo met wat te veel verbeelding op zijn nummer te zetten. Vaak wordt er een specificatie aan toegevoegd: blauwe trekhonden sloeg op lagere indo-ambtenaren, terwijl met blauwe bloedhonden lagere indo-militairen bedoeld werden. Salleveldt (1980) geeft bij blauw als uitleg: ‘Indisch-Nederlands. Wat moet zo’n totok nou met een blauw grietje?’ Bij de marine is blauwe piel een scheldwoord voor iemand van Indonesische afkomst. Blauwe hap is Indisch eten, nasi, in het bijzonder de rijsttafel. De term raakte in zwang in de periode 1945-1950, toen de Nederlandse krijgsmacht in Nederlands-Indië present was. Een synoniem voor blauwe is plopper.

En zooals men in het Amsterdamsche ghetto, wanneer er ‘matschudding’ in de buurt is, de kinderen Israëls elkaar hoort schelden voor smous, leip, parg, zoo kan men, als er ‘mikmak’ is in de indo-wijk Krembangan te Soerabaja of in Kemajoran te Batavia, de Indo’s elkaar hooren bombardeeren met het geheele scheldwoorden-vocabulaire, dat in den loop der eeuwen door pigmentvreters is uitgevonden: katjang, lip-lap, blauwe, klipsteen, kakkerlak enz. (De Groene Amsterdammer, 07/01/1922) Ik sla al je tanden uit die rotbek van je, smerige blauwe! (Theodor Holman, Een lekker leven, 1986) Ja zeker, er was geen twijfel mogelijk: het was een blauwe, zoals men het vulgair noemt, anders gezegd een indo of pelopper. (Gerard Reve, Het Boek van Violet en Dood, 1996)

Laatst bijgewerkt 16-05-2017