bakvis betekenis & definitie

meisje dat nog niet volwassen is, dat veel giechelt: te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken. Eigenlijk: een kleine vis, geschikt om te bakken (tegenover de grote die gekookt worden). Van Hoogduits Backfisch. Duitse bronnen gaan ervan uit dat het oorspronkelijk een studentenwoord is geweest voor ‘baccalaureus’, de laagste academische graad of een jonge student. Later werd het dan toegepast op meisjes. Een opgeschoten jongen werd vroeger een halfbakken of halfwassen brasem genoemd. De eerste bakvis in de meisjesliteratuur was het personage ‘Jo March’ van de Amerikaanse schrijfster Louise May Alcott (1832-1888). In de Nederlandse literatuur was haar evenbeeld ‘Joop ter Heul’, de hoofdfiguur uit een reeks boeken van Cissy van Marxveldt (1889-1948). Min of meer bekend is ‘De H.B.S.-tijd van Joop ter Heul’. Daarin treedt een vijftienjarig meisje op de voorgrond dat schalks, koket, giechelig en onervaren is: allemaal kenmerken van een bakvis.

’n Halve gare was ze natuurlik niet, en evenmin ’n geëxalteerde huis-tuin-of- keuken-bakvis in ’t kwadraat. (De Groene Amsterdammer, 12/07/1924)

Ensiegebruikers willen de geschiedenisprijs winnen! Stem ook mee in slechts 3 seconden.Stem nu op Ensie | Encyclopedie sinds 1946