Leeuw betekenis & definitie

De leeuw is een roofdier dat tot de katachtigen behoort. Door zijn grootte, zelfverzekerdheid, intelligentie, soepelheid, lenigheid en zijn gebrul wordt hij ook wel de koning der dieren genoemd.

In tegenstelling tot de meeste katachtigen die in hun eentje leven, is de leeuw een sociaal dier dat leeft in gezelschap van anderen. Leeuwen leven in groepen van 20-30 dieren. In zo'n groep zitten één tot vier mannetjes en de rest bestaat uit vrouwtjes en hun jongen. Samen zorgen de vrouwtjes voor het opvoeden en verzorgen van de jongen en jagen zij om in voedsel te voorzien. De mannetjesleeuwen jagen nooit, omdat zij vanwege hun manen teveel opvallen.
Een leeuwin bevalt per keer van twee tot vijf jongen, die ze twee jaar lang opvoed. Daarna raakt ze opnieuw zwanger en moeten de jongen zichzelf zien te redden. Veel jongen gaan na twee tot drie weken dood en slechts de helft overleeft het na die twee jaar.
Bij een leeuw beginnen de manen na drie jaar te groeien. Aan de hand van de manen van een leeuw is ook zijn leeftijd te bepalen. In het begin zijn de manen geelbruin van kleur, maar deze worden in de loop der tijd steeds donkerder. Een oude leeuw is te herkennen aan de zwartbruine manen.