Jihad betekenis & definitie

Jihad is de heilige oorlog van de islamieten. Het is een oorlog uit naam van de islam gericht tegen ketters en aanhangers van andere godsdiensten.

Mohammed werd in 570 in Mekka geboren en groeide op bij zijn grootvader die hem als koopman opleidde. Hij hoorde tot de belangrijke stam van de Koeraisjieten. Mohammed kreeg een betrekking bij Chadidzja, een rijke weduwe. Al trekkende door de woestijn leerde hij veel. Omstreeks 613 mediteerde hij in een grot van de berg Hira waar hij in een visioen de aartsengel Gabriƫl zou hebben gehoord. Hierna begon hij te prediken en bekeerde zijn vrouw Chadidzja en anderen. Hij verwierf hierdoor bekendheid en drong door tot Medina (toen Jathrib). Mohammed werd uitgenodigd hier te komen wonen en aangezien hij veel vijanden had gekregen stemde hij hiermee in. Het jaar 622 betekent voor de mohammedanen het begin van een nieuw tijdperk, de emigratie of het wegtrekken van de profeet naar Medina. Medina werd door de nieuwkomers georganiseerd en zo vormde de islamitische godsdienst een band tussen de bewoners. Door de Jihad werden de opstandige oases ingelijfd en onderworpen aan het nieuwe geloof, goed- of kwaadschiks. Christenen en joden dienden als mensen van het Oude Testament respect af omdat zij zich al op de weg van de waarheid hadden gewaagd. Onderwerping en belasting wisselde men uit tegen bescherming.

Gepubliceerd op 10-04-2015