Vluchtelingenverdrag betekenis & definitie

“Vluchtelingenverdrag” is de verkorte aanduiding van het Verdrag inzake de Status van Vluchtelingen dat in 1951 op instigatie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd aangenomen en in 1954 in werking trad. Bij dit verdrag zijn 145 staten partij (stand op 7 september 2016).

Het Vluchtelingenverdrag werd na de genocide van de Tweede Wereldoorlog opgesteld, en kan worden beschouwd als het voorzien in een lacune: er was immers geen verdrag voor degenen die in de oorlog werden vervolgd vanwege ras, religie en politieke overtuigingen. Zij konden geen aanspraak maken op bescherming elders, met alle onbeschrijfelijke gevolgen van dien.

Het Vluchtelingenverdrag voorziet in bescherming van degenen die een gegronde vrees voor vervolging hebben op grond van hun ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde maatschappelijke groep. De bescherming is gedefinieerd in termen van rechten van de mens, toegesneden op de behoeften van vluchtelingen en de mogelijkheid zelfvoorzienend te worden in het land van toevlucht: recht op identiteitspapieren, reisdocumenten en bewegingsvrijheid, maar ook, naarmate hun band met het land van toevlucht verstevigt, recht op werk, dit alles voor de duur dat bescherming nodig is. Als de situatie in het land van herkomst verbetert – de oorzaak van de vlucht verdwijnt – is deze bescherming en status van vluchteling niet langer nodig en kan de (voormalige) vluchteling terugkeren naar het land van herkomst.

Opmerkelijk is dat het Verdrag geen recht op asiel bevat, maar louter het verbod op terugsturen van vluchtelingen naar gebieden waar zij te vrezen hebben voor vervolging (het verbod op refoulement). Het Verdrag bevat evenmin een verdelingsmechanisme dat ziet op een evenredige verdeling van vluchtelingen over landen van toevlucht. Geografische nabijheid is in praktijk het belangrijkste verdelingsmechanisme. Het gevolg is dat ca. 86% van alle vluchtelingen wordt opgevangen door ontwikkelingslanden.