Winst betekenis & definitie

tel uitje deze informele uitdr. wordt vaak ironisch gebruikt m.b.t. een strop of tegenvaller. De onderliggende bet. is dan ook die van ‘wat levert het op; wat houd je er ten slotte aan over’. Op 24 november 1964 bracht de VARA de quiz ‘Tel uitje winst’, gepresenteerd door Theo Eerdmans. Het programma hield driejaar stand (met de populaire quizmaster liep het tragischer af: hij verdronk in 1977 in een plas bij Vreeland). De titel werd vrij snel een gevleugelde uitdr. Toch bestond de uitdr. al veel eerder: Jan Mens (zie hieronder) gebruikte haar al in de jaren veertig. Oudenaarden 1986 citeert een gedicht van Sam Cohen (ongedateerd), waaruit volgende regels: ‘Tel uitje winst, met zo’n gabber / hij krijgt voor mijn part het klababber.’ Ook Endt en Frerichs vermelden deze ondertussen populair geworden uitdr.

Je kerel is verzopen en je jongen mag z’n magere ribbenkast uitmekaar rijen op zo’n kreng van ’n bakfiets. En jij zelf ligt as ’n zieke hond in de bedstee. Tel uitje winst... (Jan Mens: Mensen zonder geld, 1939, herdruk 1964)

Nou ja, ’t staakte... Honderdvijftig man in ’t geheel, tel uitje winst. (Jan Mens: Er wacht een haven, 1950, herdruk 1961)

‘Je bent gewaarschuwd,’ waarschuwde ik. ‘Komt nooit tegen de bergen op, niet eens tegen de heuvels, tel uitje winst.’ (Ben Borgart: De slakken van Canêt d’Olt, 1973)

Een denkpauze; jaja, tel uitje winst. (Dimitri Frenkel F rank: Memoires van een lafaard, 1986)

Tel uitje winst en je zegeningen. (Maarten ’t Hart: Onder de korenmaat, 1991)

Een sterk CDA, in het centrum van de macht.

Nou, tel uitje winst. (De Volkskrant, 12/10/91)

winter: pik in, het is schertsend gezegd wanneer iemand zich iets onrechtmatig toeeigent. De winter is er enkel retorisch bij gehaald. Volgens Van Lennep bestond de uitdr. al tussen 1922 en 1928, maar werd ze vooral populair tijdens de oorlogswinter, toen men voedsel en allerlei spullen best kon gebruiken. Zie ook Zo komt Jan Splinter door de winter.

Ik denk maar zo: pik in, ’t is winter, ’n extra grijp- stuiver voor de kleine jongen! (Jan Mens: Er wacht een haven, 1950)

Pik in, ’t is winter! Die zijn voor opa! (Harry Mu- lisch: Hoogste tijd, 1985)

Na precies vijftienhonderd meter kwam ik ten val, er lag een dode aal die ik niet meer kon ontwijken, toen er 9.16.30 op de klokken stond. Pik in ’t is winter, moet ik toen gedacht hebben. (Freek de Jonge: De brillenkoker, 1990)