Verneuken betekenis & definitie

belazeren; een loer draaien; voor de gek houden. In het Zuid-Nederlands heeft neuken de bet. ‘stoten, stompen’, maar ook ‘plagen, beetnemen’. De van oorsprong Bargoense uitdr. verneuken is lange tijd erg populair geweest in de soldatentaal. Hiervan afgeleid zijn verneukeratief1 bedrieglijk’ en verneukerij ‘bedriegerij’. Syn. vernaaien. Een eufemisme is verneuriën. De kluit verneuken is ‘de boel belazeren’. Zie ook het (verneukte) haasjezijn; in hetver- neukte/vernoken haasje gelogeerd.

Dirk wordt nijdig. ‘Jij zal mijn verneuke!’ (Herman Heijermans: Kamertjeszonde, 1898)

Ik was bijna met mijn kop tegen dat bordje te pletter geslagen. De neus zou onder de vrachtwagen geschoten zijn en de achterkant van de laadbak zou door de voorruit zijn gekomen. Twee vliegen in één klap. Dan zou hij zich ook verneukt voelen, als hij moeite heeft gehad om dood te gaan omdat ik niet aan zijn sterfbed ben gekomen om mij te bekeren, en als hij dan uiteindelijk in de hemel komt ben ik er al ingeburgerd. (Jan Wolkers: De hond met de blauwe tong, 1964)

Net gedresseerde apen; er duidelijk op uit ons te verneuken. (Arie B. Hiddema: Kif Kif, 1973)

Twee jaar geleden is zijn groep anoniem gedagvaard. Marcel is toen naar de gemeente gestapt; die zou proberen hun pand aan te kopen of te vorderen. ‘Maar Daalder verneukt je waar jebij staat.’ (Haagse Post, 09/06/90)

‘Nou verneuk je me’, zei de boer vertrouwelijk. (Simon Vestdijk: De bruine vriend, 1991)