Vernachelen/vernaggelen/vernichelen/verniggelen betekenis & definitie

1 in het ootje nemen, een loer draaien. Endt en Frerichs (hierin gevolgd door Van Dale, 1992) wijzen erop dat in het Rotwelsch nageln ‘coïteren’ bet.; de betekenisontwikkeling zou dan te vergelijken zijn met verneuken.

Vernachelen heeft echter in het Bargoens dezelfde bet. als vernikkelen, hetgeen doet veronderstellen dat het misschien wel een verwijzing is naar het roodkleurig erts, nikkel, dat door velen gezien werd als ‘vals koper’. De woorden vernichelen en vernachelen refereren daarom waarschijnlijk aan het bedrog van het Saksische erts. Vgl. belazeren. Syn. vernaaien.

Ja, d’r is wat, kom op, sta d’r een beetje Gemma te vernaggelen. (Yvonne Keuls: Jan Rap en z’n maat, 1977)

Bertus heeft zich op die manier al eens laten vernaggelen. (Ben Borgart: Blauwe nachten, 1978) Draai uw uitgever een poot uit! Mij zal hij niet vernachelen ... (Wim de Bie: Schoftentuig, 1988)

Ik kon geen kwaad woord over Wim Kok horen. Ik dacht: hij zal de boel niet vernaggelen. (Vrij Nederland, 28/09/91)

Het gaf hem de ruimte om in dat jaar vier en een half miljard meer uit te geven dan was afgesproken. Slimme politiek? De zaak vernachelen, heet dat. (Elsevier, 23/04/94)

2. ik mag vernachelen/vernaggelen als het nietwaar is, ik mag door de grond zakken als het niet waar is. Slang.

Ik mag op staande voet vernaggelen als de opperste krijgsheer niet het snot heeft! (Willem van Iependaal: Kluivenduikers Doedeldans, 1937)

3. staan/zitten tevernachelen/vernaggelen, staan, zitten te verkleumen. Informele uitdr. Vgl. vernikkelen.

‘Nog even en ik taai af,’ zegt Freek. ‘Ik sta hier te vernaggelen.’ (Gerrit Grobben: Wolfram, 1989)