Tabak betekenis & definitie

1 da’s zware-, gezegd van een zwaar karwei; ook wel ‘dat is sterk’.

2 die is - halen bij Lub, die is weg, spoorloos, zie je niet meer terug. Deze slanguitdr. refereert aan een Amsterdamse tabakszaak van voor de oorlog. In het Engelse slang bestaat er een gelijkaardige uitdr.,goneforaBurton, waarbij een

Burton een bepaald soort bier is. Syn. die is (gaan) pissen; die is pisser.

3. ergens - van hebben, er genoeg van hebben, er niets meer van willen weten. De uitdr. ontstond wellicht in het soldatenslang van begin deze eeuw. Oorspr. was het misschien een verkorting van de uitdr. ergens balen tabak van hebben (zie ook balen).

Die soldaterij is toch al zo’n geintje niet, maar als ze straks nog met scherp gaan schieten, heb ik er helemaal tabak van. (Piet Bakker: Cis de Man, 1947)

Hooguit kan je ’n plukkie tabak krijgen. Maar aan steun voor jullie hebben wij tabak! (Jan Mens: Er wacht een haven, 1950)

... maar Grimmel zou er toch dik tabak van hebben. (Piet Bakker: De Slag, 1951)

Maar zoals het nu gaat, heb ik er balen tabak van. Balen! (Willem Frederik Hermans: Onder Professoren, 1975)

Hebben de heren eindelijk tabak van hun Britse vrienden? (Theun de Vries: Wieken tegen tralies, 1982)

Ik sta op ’t punt ontslag te nemen. Ik heb er tabak van. (Jan de Hartog: De Commodore, 1987)

4. - geven/krijgen, slaag geven, krijgen. Informele uitdr.
5. - op zijn poten hebben, ongeschoren benen hebben. Wielrennersslang.