Gepubliceerd op 21-06-2017

Schoon

betekenis & definitie

1 schone gordijnen en geen lakens, Groningse uitdr. die men wel eens in de mond neemt wanneer iemand die in feite geen hemd om het lijf heeft, zich erg chic gekleed voordoet. Vgl. aangekleedgaat uit. 2 - aan de haak, naakt gewogen. Schertsende uitdr.

Ach dames, is er hier echt nog nooit een man in huis geweest? Sinds je vader dan. Kijk ze kijken. Maar jullie komen toch wel eens op het strand? Nou, daar lopen nog wel grotere en dikkere exemplaren dan Leen Talberg, zevenennegentig kilo schoon aan de haak. (Mensje van Keulen: De rode strik, 1994)

Aad zette mij voor de gein op de weegschaal en riep: Jan Lefeber, heel mooi, zes-en-tachtig punt vijf, schoon aan de haak. (HP/De Tijd, 13/10/95)