Gepubliceerd op 21-06-2017

Muziek

betekenis & definitie

1. daar zit - in, daar is geld aan te verdienen; daar valt wat van te maken, verwachten; dat loopt op rolletjes; dat gaat goed. Oude slanguitdr., waarbij met muziek ‘geld’ wordt bedoeld; eigenlijk een zinspeling op het aangename, rinkelende geluid. Koster Henke vermeldt muziekdoos met de bet. ‘brandkist’.

D’r zit muziek in dat niezer. (Harry Boting: Nog meer jatmous, 1967)

Maar die beste tijd is voorbij. Nou zitje in de Al- casar of in het Kristallen Paleisje hangt rond in de Coney Island of je staat voor je deur. D’r zit geen muziek meer in. Je verdient je brood en daar is ’t mee uit... (J.A. Deelder: Bep van Klaveren. De Dutch Windmill, 1980)

Terwijl de Britse conservatieve regering zich - vanwege de plaatselijke verkiezingen - uitgebreid op de borst klopt omdat er eindelijk weer wat muziek lijkt te zitten in de economie, wacht het arbeidsbureau in Great Yarmouth met spanning op bericht uit Nederland. (HP/De Tijd, 14/05/93)

2. met de - mee, verdwenen, ervandoor. Vaak met de onderliggende gedachte ‘en het kan me niet schelen waarheen’. Informele uitdr.

Eén voor één namen ze de benen, eh, eerst dat mokkel, en begin vorige maand m’n aapje. Die zijn met de muziek mee. (Ben Borgart: Levende Cargo, 1983)

3. - maken, slanguitdr. voor ‘een orgasme krijgen’. Lesbisch taalgebruik. O.a. bij Kunsten Schutte.
4. voorde - uitlopen, voorbarig zijn, te hard van stapel lopen. Modieuze uitdr.

Valt die extra één miljard die minister Kok wil bezuinigen onder ‘beleid maken’? ‘Dat is voor de muziek uitlopen’, vind Loos. (Vrij Nederland, 22/12/90)

De rede in New York maakte vooral in Nederland reacties los. De dagbladen waren unaniem in hun afwijzing (‘Van Mierlo liep mijlenver voor de muziek uit’, oordeelde De Volkskrant)... (HP/De Tijd, 14/10/94)