Kift betekenis & definitie

da’s de

gezegd tegen iemand die zijn afgunst of nijd laat blijken. Het Nederlandse woord gif(t)wordt hier uitgesproken met een ‘joodse’ g. Stoett citeert Het Volkvan 14/09/1912. Informele uitdr.

Da’s de kift, omdat jullie niet bij de opleiding zijn! (Johan Fabricius: Het meisje met de blauwe hoed, 1972)

Ik kan nog heel goed lezen zonder bril. Allemaal de kif. (W.F. Hermans: Uit talloos veel miljoenen, 1981)

Nou, dat waren ‘allenig’ maar roddels, werd me hartstochtelijk verzekerd. Oja, en de kift, natuurlijk. (Donald Olie: Van de wilde honden besnuffeld, ongedateerd)

Dat een hoop mensen hem zogenaamd niet kennen, is alleen maar de kift. (HP/De Tijd, 21/10/94)