Gepubliceerd op 21-06-2017

Kapoeres/kapoeris

betekenis & definitie

dood. Vandaar ook ‘kapot, stuk, zwaar gehavend, verloren’. In de tweede bet. o.a. terug te vinden bij Koster Henke: Zijn tik is kapoeres‘zijn horloge is stuk’. In het Hoogduits komt kapores‘dood’ al voor in de 18de eeuw (Küpper). Het woord is afgeleid van het Hebreeuwse kappöreth ‘verzoening, zoenoffer’, van het werkwoord kiffeer; kippeer,dat ‘bedekken’ bet. en vandaar ook ‘verzoenen, vergeven’. Op de dag voor Grote Verzoendag wordt door vele Israëlieten een kip geslacht, waarop zij vooraf hun zonden hebben overgedragen. Hierbij worden dan gebeden uitgesproken. De kip wordt kappörethof kaporesgenoemd. Vandaar dus de uitdr. kapoeres maken ‘doden’.

... weetje nog die nacht, dat die vent vlak onder mijn z’n hele hebbe en houwe kaporis sloeg... (Ja- cob Israël de Haan: Pijpelijntjes, 1904)

En als hij niet meegaat met z’n tijd, kan hij zich kapoeris werken. (Jan Mens: De Gouden Reaal, 1940)

Met een gram kan je wel ’n stuk of tien mensen kapoeris maken. (Jan Mens: Koen, 1941)

Breekt mijn bril. Kapoerius. Helemaal. (Sal Santen: De kortste weg, 1979)