Kanker betekenis & definitie

zie ook K:

1. als voorvoegsel wordt kanker-gebruikt ter intensivering en in pejoratieve zin, om uit te drukken dat iets of iemand vervelend of heel slecht is. Vooral gangbaar in jongeren taal. Zo bestaat er een vrij racistisch scheldwoord voor een kleurling: kankeraap. Kankerboeris een scheldwoord voor een supporter van Feyenoord (ook gewoon boer van Zuidgenoemd), en zo kunnen er nog ontelbare andere invectieven gevormd worden.

Geef ik me daar even een kankertrap onder zijn reet. (A. Moonen: Omgelegde dagen, 1984)

Wij hadden intussen dat krakersclubje, wij, dus Petrus en Bobbie en ik en daarmee hebben we toen dat kankergeintje gehad. (S. Montag: De Alibicentrale, 1990)

2. de- aan iets/iemand hebben,aan iets of iemand een buitengewone hekel hebben; dezelfde afschuw hebben van iets of iemand als van de kanker.
3. de- slaan,een stevige afranseling geven; syn. verrotslaan.Zeer informele uitdr. Een graad erger is de kankertering slaan.

Ik had hem de kanker geslagen. (Nieuwe Revu, 26/01/94)

4. krijgde-,platte verwensing. In tegenstelling tot bijv. het Engels wordt er in het Nederlands veel gescholden met ziekten en dood. Vgl. in die zin ook krijgde kelere/klere/kolere.Ziekten vieren bij ons hoogtij, zo stelt Heestermans (Luilebol,1989). Deze auteur geeft in zijn boek verscheidene voorbeelden van scheldwoorden die naar bepaalde ziekten verwijzen: tering- wijf, takkevent-, pestkerel; pokkewijfenz.

Ach man, krijg toch de kanker. (Robert Long: Liegen mag!, 1993)